Walem Fort - Een klein dorp in de Groote Oorlog

WAELHEM - Een klein dorp in den Grooten Oorlog
WALEM FORT

Walem fort

Het fort van Walem was, samen met het fort van Lier, een bruggenhoofd op de Rupel-Nete lijn. Het is een fort met bakstenen gewelven, met hoge wallen en zonder reduit, in totaal ongeveer 25 ha. groot. Omringd door een natte gracht met een breedte van 50 meter heeft het een hoofdfront, twee zijfronten en een keelfront. Het hoofdfront met een breedte van ca. 350 m. en de zijfronten zijn ingericht voor het opstellen van een dertigtal kanonnen en mortieren voor beschietingen op grote afstand. De grachtverdediging gebeurde met gietijzeren kanonnen van 120 mm op een kazemataffuit. Aan de voorzijde waar de vijand verwacht werd lag de hoofdbewapening in de hoofdcapponière, een soort bunker met gewelven van 2,5 tot 3 m. dikte. In 1883 was de bouw van het fort klaar.



Walem fort
Werkzaamheden bij de bouw van Walem-fort (1878-1883).

Het Walemse gemeentebestuur was allesbehalve opgezet met de bouw van het fort. Burgemeester Théodore Coppens weigerde tot driemaal toe de 25 ha die de Staat aan Walem wilde overmaken om er het fort op te bouwen. Het gemeentebestuur vreesde dat door die aanhechting de gemeente zou verantwoordelijk gesteld worden voor de openbare orde van de bemanning van het fort. De burgemeester wou de gronden aanvaarden op voorwaarde dat de Staat zelf zou instaan voor de politiedienst en tevens de gronden die onder de “militaire servituten” - 500 meter rond het fort- vielen bij Walem zouden aangehecht worden. Tegen de wil van de gemeente in werd echter bij koninklijk besluit van 15 juni 1887 beslist om 18 ha van Mechelen en 4,5 ha van Sint Katelijne Waver bij Walem te voegen. De soldaten brachten al vlug leven in de brouwerij: het dorp telde op korte tijd niet minder dan 53 herbergen, met als bijkomend gevolg dat dronken soldaten met de regelmaat van de klok het dorp flink op stelten zetten.

Rond 1885 werden nieuwe projectielen gefabriceerd waardoor men verplicht was de bakstenen forten zoals Walem te versterken tot pantserfort, omdat de gewelven niet langer bomvrij waren. Naast schrapnelobussen die na ontploffing in kleine scherven uiteenspatten werden cilindervormige granaten vervaardigd die met een kopschokbuis waren uitgerust. Deze projectielen drongen diep door in het doel vooraleer ze ontploften en zeer zware schade toebrachten. Daarom werd over de bakstenen gebouwen een laag ongewapend beton van ca. 2,5m dikte gelegd. Ook pantserkoepels werden geplaatst voor de 150mm kanonnen. Men ging er van uit dat de forten nu bestand waren tegen projectielen tot 270mm, zoals de zwaarste Franse kanonnen van dat ogenblik. De aanpassingen in het fort van Walem waren voltooid in 1912.

De Duitse oorlogsindustrie had echter kort voor de Eerste Wereldoorlog in het geheim nieuwe wapens ontwikkeld waartegen ook de aangepaste forten niet bestand waren: ze werden slechts berekend op houwitsergranaten van 210 mm. Vanaf 1885 werd in plaats van buskruit picrinezuur of nitrocellulose gebruikt als springstof in de artilleriegranaten. De eerste getrokken stalen kanonslopen vervingen gegoten ijzeren of bronzen lopen. Hierdoor kon het kaliber worden vergroot en nam het effect van de inslag met een veelvoud toe. Zo ontwikkelden de Duitsers geschut waartegen het ongewapende beton onvoldoende weerstand bood. Uit de fabrieken van Skoda in Oostenrijk kwam de 305 mm houwitser Motor Mörser M1 die granaten van 380 kg, geladen met 40 kg springstof, maximaal 9600 meter ver kon schieten. Dit wapen had voor die tijd een zeer hoge doorboring en was gemakkelijk met tractoren te vervoeren. Daarnaast ontwikkelde ThyssenKrupp in het grootste geheim een monsterlijke 420 mm houwitser (Dikke Bertha), met een lengte van 7,2 meter en een gewicht van net geen 100 ton. Dit gevaarte kon een projectiel van bijna 1000 kg 9 km ver schieten. De terugslag van deze houwitser was zo hevig dat het tuig moest verankerd worden op een speciaal gegoten betonplaat.



Zwaar geschut

Zwaar geschut : Dikke Bertha

De Belgische forten beschikten niet over dergelijke zware artillerie. Doordat zij ontworpen waren om te verdedigen werd als zwaarste geschut het 150 mm kanon gebruikt, in sommige forten aangevuld met 240 en 280 mm kanonnen. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleek al snel dat de Belgische verdedigingswerken geen partij waren voor de superieure Duitse artillerie. Rond de stad Antwerpen stonden in 1914 in totaal 35 forten paraat om de vijand tegen te houden. Niet alle werken waren gereed, ook de bewapening liet veel te wensen over, maar toch ging de legerleiding er van uit dat de “Vesting Antwerpen” onneembaar was.

Het Belgische leger rekruteerde zijn manschappen via het lotingsysteem, pas in december 1909 werd beslist dat één zoon per gezin dienstplichtig werd. Hoewel België een strikte neutraliteit was opgelegd besefte de regering dat het land groot gevaar liep in geval van een oorlog tussen de grootmachten bij de strijd betrokken te geraken. Als voornaamste maatregel om de landsverdediging te verbeteren werd in 1913 de algemene dienstplicht ingevoerd en werd het leger ingrijpend gereorganiseerd. Het Belgische leger zou vanaf dan beschikken over ca. 340.000 manschappen.

Walem fort